Risicofactoren van HS

De voornaamste gemelde risicofactoren voor HS zijn het vrouwelijke geslacht, hormonale en genetische factoren, obesitas en roken [Miller 2016].

Genetische factoren

Het feit dat genetische factoren een rol spelen bij HS werd voor het eerst in 1985 gelanceerd. Bij 34% van de eerstegraadsverwanten van HS-patiënten werd de aandoening eveneens vastgesteld.

Aanvankelijk dacht men dat HS werd doorgegeven via autosomaal dominante overerving [Fitzimmons 1985]. Uit recentere gegevens blijkt dat er een familiegeschiedenis van HS is bij 30 tot 40% van de patiënten [Pink 2012], en een genetische basis voor de ziekte bij ongeveer 5% van de patiënten, die werd geïdentificeerd als verschillende heterozygote mutaties in subeenheden van het gamma-secretase-enzym, dat een rol speelt in de Notch-signalering [Fitzsimmons 1985].

Wat de pathogenese van HS betreft, is het op dit moment nog niet uitgemaakt of de genetische of omgevingsfactoren het belangrijkste zijn [van der Zee 2012].

Bij HS-patiënten die gamma-secretasemutaties vertonen, is het fenotype van de ziekte ernstiger en uitgebreider. Gamma-secretase is een intramembraneus endoproteasecomplex dat bestaat uit vier hydrofobe eiwitten: preseniline, presiniline-enhancer 2, nicastrine en anterior pharynx defective. Dit enzym kan multipele type 1-transmembraaneiwitten, waaronder de Notch-receptoren, klieven [Zouboulis 2015a].

Tot 40% van de HS-patiënten heeft een familiale vorm van deze ziekte [Nazary 2011]. Een aantal familiale vormen van HS, maar niet alle, volgen een autosomaal dominant overervingspatroon met 100% penetrantie. Twee loci op chromosoom 6 en 19 zijn in verband gebracht met HS, en een andere locus werd geïdentificeerd op chromosoom 1p21.1–1q25.3. Er werden mutaties gemeld in de genen preseniline-1 (PSEN1), preseniline enhancer-2 (PSENEN) en nicastrine (NCSTN), die coderen voor eiwitten die deel uitmaken van gamma-secretase. Studies hebben aangetoond dat alle mutaties in deze genen tot de ziekte leiden door middel van een complete penetrantie, en ze worden in verband gebracht met een inactieve eiwitfunctie. Het is interessant dat bij muizen zonder Notch-1 occlusie van de haarfollikels optreedt. Dat is de initiële pathogene stap bij HS [Nazary 2011].

Bovendien blijkt een bepaald haplotype van het TNF-gen verband te houden met een grotere vermindering van de ernst van HS na behandeling met TNF-remmers [Wang 2010].

Het is mogelijk dat er in de toekomst nieuwe genetische mutaties of enkel-nucleotide polymorfismen (single nucleotide polymorphisms, SNPs) worden gevonden die een aanleg voor HS bepalen, en dat wordt bepaald hoe deze factoren de manifestatie en het ziektefenotype van HS kunnen beïnvloeden [Zouboulis 2015a].

Vrouwelijk geslacht en hormonale factoren

De rol van hormonen bij HS is nog niet duidelijk. Maar de vaststelling van premenstruele opflakkeringen, de predominantie bij vrouwen en de verbetering tijdens de zwangerschap wijzen op een androgene basis [Nazary 2011].

Vrouwen lopen meer kans om de ziekte te krijgen dan mannen. Er zijn naar schatting twee tot vijf keer meer vrouwen dan mannen die door HS worden getroffen [Nazary 2011]. De distributie van HS-letsels kan ook variëren volgens het geslacht. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat letsels op de genitaliën en benen vaker voorkomen bij vrouwelijke HS-patiënten [Nazary 2011].

Er zijn bewijzen dat HS verbetert met anti-androgenen (bv. cyproteronacetaat) en oestrogenen [Sawers 1986, Stellon 1989], terwijl oestrogenen ook, ten gevolge van hun androgene eigenschappen, HS kunnen induceren of een bestaande HS kunnen verergeren [Stellon 1989].

Obesitas

Zwaarlijvigheid wordt beschouwd als een van de twee belangrijkste niet-genetische risicofactoren in verband met suppuratieve hidrenitis (HS) [Nazary 2011]. Dit is bevestigd in recent uitgevoerde case-controlstudies [Revuz 2008; Schmitt 2012].

De reden voor de rol van obesitas in de pathogenese van HS is gebaseerd op de grote gebieden van de omgekeerde huid en de toegenomen wrijving bij obese patiënten [Nazary 2011]. Zwaarlijvigheid is ook gekoppeld aan verhoogde niveaus van pro-inflammatoire cytokinen in het bloed (bijvoorbeeld interleukine [IL]-1, IL-6, tumornecrosefactor [TNF]-α, C-reactief eiwit). IL-6 en TNF-α worden gevormd uit adipocyten [Nazary 2011]. Vetcelgrootte en lipopolysaccharidenniveaus beïnvloeden het vrijkomen van cytokinen in adipocyten [Nazary 2011].

Obesitas is gesuggereerd als risicofactor in verband met de rol van mechanische spanning als trigger voor de ontwikkeling van nieuwe HS-letsels, hoewel er momenteel geen duidelijk bewijs is dat mechanische spanning een trigger is voor HS [Zouboulis 2015a].

Vertaald met www.DeepL.com/Translator (gratis versie)

Roken

Roken is de andere belangrijke niet-genetische risicofactor in verband met HS [Nazary 2011]. Dit is bevestigd in recent uitgevoerde case-controlstudies [Revuz 2008; Schmitt 2012].

In een case-controlstudie waarbij 302 HS-patiënten betrokken waren [Revuz 2008], was het aandeel van actieve rokers >70% onder HS-patiënten in vergelijking met controles, en de odds ratio (OF) voor het HS-risico werd geschat op 1,12 (95% betrouwbaarheidsinterval 1,08-1,15) voor elke 1 eenheidsstijging van de body mass index (BMI).

Studies waarin 90% van de patiënten met HS zware rokers waren, zijn gemeld [Nazary 2011]. Ondanks de duidelijke relatie tussen roken en HS zijn de betrokken pathogene mechanismen echter nog steeds onbekend [van der Zee 2012].

Nicotine stimuleert ook de chemotaxis van polymorfe neutrofielen, waardoor de ontsteking continu in stand wordt gehouden. Sigarettenrook induceert de expressie van ontstekingsregulatoren, zoals IL-8, en verhoogt de expressie en secretie van TNF-α in menselijke keratinocyten [Revuz 2008].

Schmitt e.a. [Schmitt 2012] hebben een case-controlstudie uitgevoerd met 1 geval van HS voor 3 controles, in een totaal van 60 patiënten, waarbij de controles werden gematched op basis van geslacht en leeftijd, en waarbij dezelfde instelling werd bezocht, maar dan voor andere dermatologische aandoeningen. Zoals blijkt uit tabel 1, had een familiegeschiedenis van HS de hoogste OF (OR = 20,43) in de multivariate analyse, gevolgd door de hoogste dagelijkse sigarettenconsumptie (OR = 1,14) en de interactie tussen BMI en leeftijd (OR = 1,02) [Schmitt 2012].

Tabel 1. Resultaten van een multivariate analyse om risicofactoren voor onderdrukte hidradenitis te bepalen [Schmitt 2012].

Variabelen Onevenwichtige Verhouding
(95% betrouwbaarheidsinterval) P-waarde
Vrouwelijke leeftijdsgenoten 0,62 (0,41 – 0,96) 0,95
Huidig leeftijdspaar 0,62 (0,41 – 0,96) 0,03
Familiegeschiedenis 20,43 (2,38 – 175,7) < 0,01
Roken (sigaretten per dag) 1,14 (1,02 – 1,28) 0,02
BMI 0,75 (0,46 – 1,22) 0,24
BMI-index versus leeftijd 1,02 (1,00 – 1,03) < 0,05
Constant
0,25

Vertaald met www.DeepL.com/Translator (gratis versie)

REFERENTIES

Risicofactoren van HS

Fitzsimmons JS, Guilbert PR. A family study of hidradenitis suppurativa. J Med Genet 1985;22:367-73.

Miller IM, McAndrew RJ, Hamzavi I. Prevalence, risk factors, and comorbidities of hidradenitis suppurativa. Dermatol Clin 2016;34:7–16.

Nazary M, van der Zee HH, Prens EP et al. Pathogenesis and pharmacotherapy of Hidradenitis suppurativa. Eur J Pharmacol 2011;672:1–8.

Pink AE, Simpson MA, Desai N et al. Mutations in the gamma-secretase genes NCSTN, PSENEN, and PSEN1 underlie rare forms of hidradenitis suppurativa (acne inversa). J Invest Dermatol 2012;132:2459–61.

van der Zee HH, Laman JD, Boer J et al. Hidradenitis suppurativa: viewpoint on clinical phenotyping, pathogenesis and novel treatments. Exp Dermatol 2012;21:735–9.

Genetische factoren

Fitzsimmons JS, Guilbert PR. A family study of hidradenitis suppurativa. J Med Genet 1985;22:367-73.

Nazary M, van der Zee HH, Prens EP et al. Pathogenesis and pharmacotherapy of Hidradenitis suppurativa. Eur J Pharmacol 2011;672:1–8,

Pink AE, Simpson MA, Desai N et al. Mutations in the gamma-secretase genes NCSTN, PSENEN, and PSEN1 underlie rare forms of hidradenitis suppurativa (acne inversa). J Invest Dermatol 2012;132:2459–61.

van der Zee HH, Laman JD, Boer J et al. Hidradenitis suppurativa: viewpoint on clinical phenotyping, pathogenesis and novel treatments. Exp Dermatol 2012;21:735–9.

Wang B, Yang W, Wen W et al. Gamma-secretase gene mutations in familial acne inversa. Science 2010;330:1065.

Zouboulis CC, Desai N, Emtestam L et al. European S1 guideline for the treatment of hidradenitis suppurativa/acne inversa. J Eur Acad Dermatol Venereol 2015a;29:619–44.

Vrouwelijk geslacht en hormonale factoren

Nazary M, van der Zee HH, Prens EP et al. Pathogenesis and pharmacotherapy of Hidradenitis suppurativa. Eur J Pharmacol 2011;672:1–8.

Sawers RS, Randall VA, Ebling FJ. Control of hidradenitis suppurativa in women using combined antiandrogen (cyproterone acetate) and oestrogen therapy. Br J Dermatol 1986;115:269-74.

Stellon AJ, Wakeling M. Hidradenitis suppurativa associated with use of oral contraceptives. BMJ 1989;298: 28-9.

Obesitas

Nazary M, van der Zee HH, Prens EP et al. Pathogenesis and pharmacotherapy of Hidradenitis suppurativa. Eur J Pharmacol 2011;672:1–8.

Revuz JE, Canoui-Poitrine F, Wolkenstein P et al. Prevalence and factors associated with hidradenitis suppurativa: results from two case-control studies. J Am Acad Dermatol 2008;59:596–601.

Schmitt JV, Bombonatto G, Martin M et al. Risk factors for hidradenitis suppurativa: a pilot study. An Bras Dermatol 2012;87:936–8.

Zouboulis CC, Desai N, Emtestam L et al. European S1 guideline for the treatment of hidradenitis suppurativa/acne inversa. J Eur Acad Dermatol Venereol 2015a;29:619–44.

Roken

Nazary M, van der Zee HH, Prens EP et al. Pathogenesis and pharmacotherapy of Hidradenitis suppurativa. Eur J Pharmacol 2011;672:1–8.

Revuz JE, Canoui-Poitrine F, Wolkenstein P et al. Prevalence and factors associated with hidradenitis suppurativa: results from two case-control studies. J Am Acad Dermatol 2008;59:596–601.

Schmitt JV, Bombonatto G, Martin M et al. Risk factors for hidradenitis suppurativa: a pilot study. An Bras Dermatol 2012;87:936–8.

van der Zee HH, Laman JD, Boer J et al. Hidradenitis suppurativa: viewpoint on clinical phenotyping, pathogenesis and novel treatments. Exp Dermatol 2012;21:735–9.